mavo - havo - atheneum - gymnasium
Lens van liefde
2006
We schrijven de Gouden Eeuw. We maken een Theatergroep mee die bestaat uit leden van één Familie, met aanhang. De oudste broer schrijft en regisseert de stukken en is tevens de enige die de stukken mooi vindt. Als de groep geen kaartjes meer verkoopt en failliet dreigt te gaan, grijpt de jongste broer zijn kans om een Opera te schrijven, de Musical van die tijd.




Recensie:

Even moeten de toeschouwers in de hal wachten, alvorens zij de als toneelzaal ingerichte aula mogen betreden. Maar bij hun binnenkomst ontvouwt zich voor hun ogen onmiddellijk een tot leven gewekt schilderij uit de Gouden Eeuw: in een verfijnd decor is huispersoneel in oogstrelende, onderling harmoniërende kostuums bezig op gedisciplineerde wijze een tafel te dekken en weer af te ruimen. Gegrepen door het prachtvolle tafereel zoekt men een plaats. Het schouwspel zal de kijkers de volgende twee uur niet meer loslaten.


Het stuk is door huisauteur Winfred van Buren speciaal voor de school geschreven, de innemende muziek door docent Wilco Meijer (maatschappijleer en informatiekunde) uit het niets gecomponeerd en georkestreerd voor de toevallig beschikbare instrumenten in zijn hoofdzakelijk uit leerlingen samengestelde banda.
Een slecht lopend 17e-eeuws toneelgezelschap onder leiding van een tirannieke ijdele kwast kiest onder druk van een wel zeer geëmancipeerde schuldeiseres voor een nieuwe kunstvorm, de opera, troetelkind van de dromerige broer van de leider, die tot nu toe altijd de klappen kreeg. Zo zijn er in dit muziekdrama over het ontstaan van een muziekdrama talloze Droste-effecten mogelijk, die zowel relativerend werken als voor een heel gelaagde opbouw zorgen. 17e-eeuwse opera's hadden vaak een ondertitel, hier zou een hele reeks te verzinnen zijn: de blaaskaak onttroond, de triomf der oprechte gevoelens, de muziek als redmiddel, de listige verliefde, beelden uit de Gouden Eeuw. In elk geval is er een onafgebroken reeks prachtige plaatjes, doordacht tot in het kleinste detail en met spartaans repeteren ingestudeerd.
Het figurantenkoor vult net als in een echte opera de tableaus, zingt overtuigend en kan ook nog zijn zegje doen. Dat 'ze' elkaar krijgen, staat wel vast, maar hoe blijft tot het laatste moment spannend en ook die vraag is in het stuk verwerkt, want de componist kan maar geen einde voor zijn opera bedenken. Ondanks die complexiteit is op elk moment precies duidelijk wat er gebeurt. De enscenering is helder en wordt krachtig ondersteund door de sobere, maar even speelse als stijlvolle decors, 'gewoon' op school vervaardigd, evenals de prachtige kostuums. Grime, coiffure, belichting, alles draagt bij aan een perfecte voorstelling. Maar de grootste prestatie van de auteur-regisseur is misschien wel dat het ondanks alle raffinement heerlijk leerlingentoneel blijft. Daaraan herinnert althans ook het ribbeltjesgevoel dat de tribunes na de lange, maar kort vallende speelduur in de onderrug achterlaten; blijkens aandacht en applaus heeft het publiek dat er graag voor over.